toen ik twintig was of tien of net niet,
hoe anders schopte ik mijn schoenen uit,
spreidde mij: gezicht naar muur, rechterzij,
foetusstijl. tot ik tussen dromen liep, zo
schijnt. de nacht liet niets achter voor
de dag, geen gelukskoekje, geen zwart.
ik kleurde plots. ergens trof ik een groot
prinsheerlijk deel van mij. het dwong
mijn hoofd omhoog, de neus in bloesems.
- David Troch, een man wordt dertig