Dichters op Dinsdag

Het meer is lieflijk,
Wanneer de maan
Haar licht er over
En weer laat gaan;
Haar stralen slingren
Op ‘t water snel,
Als gouden aders
OP blauwend vel.

Het is zo lachend,
Wen in zijn plas
De boom zich spiegelt,
Als in een glas,
En met zijn blaadren
In ‘t water plast,
En zijne voeten
Er baadt en wast.

Het is betoverend,
Ziet er het heer
Der kleine starren
Des nachts op neer;
Het is, als had men
Het rijkst gesteent
Uit heel de wereld
Er in vereend.

Maar ook bedriegend
Is de effen plas:
‘t Gevaar is onder
‘t Bekoorlijk glas:
Want weet, daar kan zich
Een rots versteekt,
Waarop het vaartuig
Des schippers breekt.

Het meer is ijslijk:
Zo men de blik
Ten grond liet dalen,
Greep ons de schrik;
Want op de bodem
Is morsig slijk,
Er liggen beendren
Van menig lijk.

- H.B. Peeters (1825-1893), Het meer

Dichters op Dinsdag

Belde om de nachtzuster.
Om haar vingers waarmee zij het piekend haar
voor mijn ogen vandaan strijkt. Kopje thee
graag en de kosmos van vandaag. Komt ze
even later terug, brand ik mijn handen
aan de mok, slurp in vogelvlucht de zaal wakker,
lispelend boven damp en droesem over God
Die in het bed hiernaast ook in Zijn slaap
wat ligt te praten. Een organist speelt
walsend musdruil aan het raam. Val van dak
het bed weer in en bid mijn thee naarbinnen.

- Joost Zwagerman, Op zaal