Gestrekt in mijn ligstoel lekker languit
In de schaduw luisterend naar het tuingeluid,
Dacht ik, het is eigenlijk heel terecht
Dat vogels en groente de taal is ontzegd.
Een roodborstje vliegt, maar een naam heeft hij niet;
Hij kent alleen maar het roodborstjeslied.
En ritselende bloemen wachten tot ooit
Een derde, misschien, met stuifmeel strooit.
Niet één van hen is tot liegen in staat
En niet één van hen weet dat hij sterven gaat
En niet één van hen kan met ritme en rijm,
Voor de tijd verantwoordelijk zijn.
Laat de taal maar over aan hun eenzame bazen,
Die de dagen tellen en op brieven azen;
Ook wij zijn bij lachen en huilen niet stil,
Maar taal is nodig, voor wie woord houden wil.
- Hun eenzame bazen, W.H. Auden (vertaling van Arie van der Krogt)