De maan was zilver en de nacht was indigo
en door de bomen van het park speelde de wind -
was het niet zo, chérie, was het niet zo?
en was de ganse wereld ons niet welgezind:
de vogels en de bloemen en het kleine balkon
en alles wat de nacht tezamen vindt?
Nu kwijnen asters in een schrale zon,
de blauwe bloemen van het najaar trachten
nog moed genoeg te verzamelen voor de nachten
van dit bruinrood en grijs seizoen.
God heeft een oude linnenkast geopend
en wij kunnen niet uit haar geur vandaan
en haastig door het bruin der wouden lopend
ontmoeten wij snachts plotseling de maan,
die wat verwaaider is, minder gevaarlijk
en minder snel tot slechte daad bereid
en bovenal veel minder wonderbaarlijk
dan ’s zomers, als een meisje om hem schreit.
- Koos Schuur, Najaar